Basisprincipes Jenaplanonderwijs

De principes die voortkomen uit het gedachtengoed van de grondlegger van het Jenaplannonderwijs Peter Petersen [l1] vormen voor de Jenapleinschool de richtlijnen van waaruit wij werken.

De 20 basisprincipes van het Jenaplan
Peter Petersen heeft in zijn tijd uitspraken gedaan hoe volwassenen en kinderen zouden moeten kijken naar de mens, de mens in de maatschappij en de mens in de school bij onderwijs en opvoeding. Het is een goede leidraad waaraan wij als school ons kunnen spiegelen en bezien in hoeverre wij de basisprincipes binnen de Jenapleinschool ook waarmaken naar vermogen en de wijze die bij ons past.

Over de mens 1 t/m 5 en over de maatschappij 6 t/m 20

  1. Ieder mens is uniek, zo is er maar één! Daarom heeft ieder kind en volwassene een onvervangbare waarde.
  2. Elk mens heeft het recht een eigen identiteit te ontwikkelen. Deze wordt zoveel mogelijk gekenmerkt door zelfstandigheid, kritisch bewustzijn, creativiteit en gerichtheid op sociale rechtvaardigheid. Daarbij mogen ras, nationaliteit, geslacht, seksuele geaardheid, sociaal milieu, religie, levensbeschouwing of handicap geen verschil uitmaken.
  3. Elk mens heeft voor het ontwikkelen van een eigen identiteit persoonlijke relaties nodig:
    – met andere mensen
    – met de zintuiglijke werkelijkheid van natuur en cultuur
    – met de niet zintuiglijk waarneembare werkelijkheid
  4. Elk mens wordt steeds als een totale persoon erkend en waar mogelijk ook zo aangesproken en benaderd.
  5. Elk mens wordt steeds als cultuurdrager en cultuurvernieuwer erkend en waar mogelijk ook benaderd en aangesproken.
  6. Mensen moeten werken aan een samenleving die ieders unieke en onvervangbare waarde respecteert
  7. Mensen moeten werken aan een samenleving die ruimte en stimulans biedt voor ieders identiteitsontwikkeling.
  8. Mensen moeten werken aan een samenleving waarin rechtvaardig, vreedzaam en constructief met verschillen en veranderingen wordt omgegaan.
  9. Mensen moeten werken aan een samenleving die respectvol en zorgvuldig aarde en wereldruimte beheert.
  10. Mensen moeten werken aan een samenleving die de natuurlijke en culturele hulpbronnen in de verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties gebruikt.
  11. De school is een relatief autonome coöperatieve organisatie van betrokkenen. Ze wordt door de maatschappij beïnvloed en heeft er zelf invloed op.
  12. In de school hebben volwassenen de taak de voorgaande uitspraken over de mens en samenleving tot (ped)agogisch uitgangspunt voor handelen te maken.
  13. In de school wordt de leerstof zowel ontleend aan de leef- en belevingswereld van de kinderen als aan de cultuurgoederen die de maatschappij als belangrijke middelen worden beschouwd voor de hier geschetste ontwikkeling van persoon en samenleving.
  14. In de school wordt het onderwijs uitgevoerd in pedagogische situaties en met pedagogische middelen.
  15. In de school wordt het onderwijs vormgegeven door een ritmische afwisseling van de basisactiviteiten gesprek, spel, werk en viering.
  16. In de school vindt overwegend heterogene groepering van kinderen plaats, naar leeftijd en ontwikkelingsniveau, om het leren van en zorgen voor elkaar te stimuleren.
  17.  In de school worden zelfstandig spelen en leren afgewisseld en aangevuld door gestuurd en begeleid leren. Dit laatste is expliciet gericht op niveauverhoging. In dit alles speelt het initiatief van de kinderen een belangrijke rol.
  18.  In de school neemt wereldoriëntatie een centrale rol in, met als basis ervaren, ontdekken en onderzoeken.
  19.  In de school vinden gedrag en prestatiebeoordeling van het kind zoveel mogelijk plaats vanuit de eigen ontwikkelingsgeschiedenis van dat kind en in samenspraak met het kind.
  20.  In de school worden veranderingen en verbeteringen gezien als een nooit eindigend proces. Dit proces wordt gestuurd door de consequente wisselwerking tussen doen en denken.  

 [l1]Hyperlink